Preek 13 november 2011

 

Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor Hem zijn allen in leven.
Preek over Lucas 20:38
Paaskerk, Baarn 13 november 2011
Ds. R.G. van der Zwan, Amersfoort

Gemeente van Jezus Christus,

 

In onze moderne maatschappij is een groeiende behoefte aan rituelen rond dood en uitvaart.

Tot voor kort kwamen alleen koninklijke uitvaarten op tv. Nu van min of meer bekende Nederlanders.

Ook is er toenemende aandacht voor rituelen rond gedenken (bijv. bijeenkomst op Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam; zo ook op andere plaatsen).

Daarin klinken ook – al of niet uitgesproken – gedachten mee over ‘hierna’.

Het is niet alleen aan de kerk voorbehouden om over leven voorbij de grenzen van dit bestaan te denken.

Dat is opvallend, want we hebben ook een tijd gehad dat het ‘verdacht’ was om over ‘hierna’ te spreken. Het geloof in de hemel kwam onder druk te staan.

De vraag naar je persoonlijk toekomst voorbij de grens van dit leven werd als egoïstische beperking beschouwd van de boodschap van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

En werd ook het lichamelijk bestaan hier en nu niet ontkend? ‘’t Hoofd omhoog, ’t hart naar boven, hier beneden is het niet’ zou een vlucht uit je verantwoordelijkheid kunnen zijn.

De verkondiging van de troost van de hemel zou zelfs een zoethoudertje kunnen zijn tegen ellende en pijn van onrecht en lijden. ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’ is in sommige situaties prachtig, maar het zou ook wel eens goedkoop kunnen klinken.

En sowieso is de geest van de tijd gericht geweest op hier en nu.

G. Bomans schreef (al weer meer dan 40 jaar geleden ondertussen), dat voorheen een oude man of vrouw gewaardeerd werd als iemand die er bijna was, terwijl diezelfde man of vrouw nu gezien wordt als iemand die er bijna is geweest.

 

Nu kan er dus weer gesproken worden over leven voorbij de dood. Maar hoe stel je je dat eigenlijk voor en waarop is dat gebaseerd?

 

De kerk is altijd gebleven bij haar belijdenis over opstanding der doden, leven voorbij de grenzen van dit bestaan.

In de RK traditie was dit altijd sterk.

De RK-kerk kent al vele eeuwen twee gedenkdagen: 1 november (Allerheiligen) en 2 november (Allerzielen).

Op 1 november gaat om het om de gedachtenis aan de mensen die als heiligen worden beschouwd; een behoorlijk maar toch beperkt aantal; mensen die bijzonder vroom hebben geleefd en volledige of zelfs overtollige goede werken hebben gedaan.

Aangenomen wordt dat zij, op grond van hun vrome leven en goede werken, bij de HERE God kunnen instaan en voorspraak doen voor hun zwakkere broeders en zusters.

Op 2 november wordt in de gebeden gedacht aan de gewone man en gewone vrouw, de gewone kinderen, die met hun gaven en gebreken en onvolkomenheden gestorven zijn.

 

Maar Protestanten moesten daar niks van hebben.

Het is niet toevallig dat de monnik dr Maarten Luther op 31 oktober, aan de vooravond van 1 november, zijn beroemde stellingen op de Slotkapel van Wittenberg sloeg.

Eén van zijn hoofdbezwaren tegen de kerk van zijn dagen was juist gericht tegen de gedachte achter Allerheiligen en Allerzielen,

tegen de opvatting dat gestorven heiligen op grond van hun goede werken voorspraak zouden kunnen doen voor anderen,

tegen de opvatting dat voor gestorven zondige mensen nog voorbeden moeten worden gedaan en kunnen worden gedaan om hun oordeel te verlichten.

En niet allen bij Luther, in de hele reformatorische traditie vinden we de verwerping van de aanroeping van heiligen en de afkeuring van het bidden voor overleden om vergeving van hun zonden.

Want er is slechts Eén die voor ons in kan staan en ook in heeft gestaan: Jezus Christus.

Daarmee vervalt ook het onderscheid tussen heiligen (mensen die bijzonder vroom en verdienstelijk hebben geleefd) en gewone mensen (met hun falen en gebreken).

Heilig zijn allen die bij Jezus Christus horen en die Hij de zijnen noemt.

Zo worden in de bijbel allen ‘heiligen’  genoemd. (En dat is ruimer dan ‘leden van de kerk’.)

Niet op grond van goede werken, maar op grond van wat de Heer in ons ziet.

Dat was en is de kern van de boodschap van de Reformatie.

Op grond van Jezus’ leven, dood en opstanding mogen we ons gered weten.

Niks ‘tussenlaag’ tussen God en ons, tussen hemel en aarde.

Wij worden persoonlijk gekend. Overigens zijn er veel katholieken die dat ook van harte geloven.

 

Maar als je dan wat doordenkt en je probeert voor te stellen hoe dat dan is, dan ben je al gauw aan de grenzen van je kennen en weten.

Er van zingen gaat beter. Dat doen we en soms nog graag ook.

Ik noem eens wat:
Psalm 150 (o.b.): Looft Hem, naar zo menig blijk / van Zijn heerlijk Koninkrijk / voor zijn troon en hier beneden.

We vinden het in oudere gezangen, bijv. 109: Hoor een heilig koor van stemmen, staande aan de glazen zee.

Gezang 399 (Te Deum laudamus): ‘Door heel Uw kerk wordt steeds, daarboven, hier beneden, / in strijd en zegepraal uw grote naam beleden’.

Maar ook in nieuwe gezangen, bijv. 265, waarin heel beelden over de hemel gesproken wordt en de dichter daar personen voor zich ziet, uit de bijbel en uit de latere geschiedenis, met de Joden, negers en kinderen voorop.

Al deze liederen zijn gebaseerd op bijbelgedeelten, op bijbelse verkondiging van het leven dat verder reikt al onze mogelijkheden en beperkingen.

In het OT komt de verwachting van de opstanding uit de dood in verscheidene teksten naar voren.

In het NT is dit de centrale inhoud van de boodschap.

 

We hebben enkele van deze bijbelgedeelten gelezen.

En als je dat doet, blijkt meteen weer dat er over de opstanding van de doden altijd veel te vragen is geweest.

Sommigen hebben daar in geloofd,

anderen hebben met die opstanding geen raad geweten.

Dat kun je die mensen ook niet verwijten; het is ook moeilijk voor te stellen.

De vragen van mensen moeten ook serieus genomen worden.

Jezus deed dat ook, we hebben het gelezen.

Er komen Sadduceeën naar Jezus toe.

Zij geloven niet in de opstanding van doden.

Met een voorschrift uit de wet van Mozes willen ze het onmogelijke van het opstandingsgeloof aan tonen.

Ze gebruiken het voorschrift van het zogenaamde zwagerhuwelijk.

Wanneer een vrouw weduwe wordt terwijl ze nog jong is en geen kinderen heeft, dan is haar zwager, de broer van haar overleden man, verplicht haar te huwen en kinderen te verwekken.

Want kinderen betekende in die tijd je oudedagsvoorziening; zij moesten voor je zorgen.

Door het zwagerhuwelijk hoefde een weduwe op haar oude dag niet onverzorgd achter te blijven.

Stel u nu eens voor, zeggen de Sadduceeën, een vrouw trouwt zo met zeven broers, omdat steeds de zwager met wie ze dan trouwt sterft, voordat er kinderen zijn.

én er is een opstanding van doden –

van wie zal zij in de opstanding dan de vrouw zijn?!

Zomaar een voorbeeld om aan te tonen hoe onmogelijk dat geloof in de opstanding is.

Zomaar een voorbeeld om het geloof in de hemel onder druk te zetten.

 

Jezus geeft antwoord.

Hij weerlegt de Sadduceeën, maar tegelijk zegt Hij niet hoe we het ons allemaal voor moeten stellen, dat leven hierna.

In dit leven, zegt Jezus, wordt er gehuwd, worden kinderen geboren en wordt gestorven.

In de opstanding is er geen voortplanting meer nodig, want zij zullen niet meer sterven.

Meer zegt Jezus hier niet, en meer kan niet aan deze woorden worden ontleend.

De opstanding van de doden is geen voortzetting van het bestaan zoals we dat nu op aarde kennen.

Zij zullen dan zijn als de engelen.

En aangezien we ons van de engelen geen enkele voorstelling kunnen maken, moeten we ook niet proberen van de opstanding van de doden een precieze voorstelling te maken.

Het is moeilijk om het daar bij te laten.

Want telkens vragen we toch door: Waar zijn de overledenen? En hoe zijn zij?

We lezen ook in de bijbel verschillende beelden die iets aan willen geven.

We lezen over het feest van de Heer, een bruiloftsfeest.

We lezen over het zingen voor Gods troon, het ontvangen van een nieuwe naam, het dragen van witte klederen.

We lezen over intrek nemen bij de Heer, een eeuwig huis.

Allemaal beelden, ontleend aan het leven hier en nu, we kunnen niet anders.

Beelden die iets aan willen geven van een onuitsprekelijke werkelijkheid.

Al deze uitspraken zeggen:
Er is leven na dit leven, omdat God ons door de dood heen trouw blijft.

Hoe dat is, is niet te zeggen, maar – gaat Jezus verder – dat de doden opgewekt worden, dat heeft Mozes al aangeduid (Mozes, op wie de Sadduceeën zich beriepen!).

Mozes noemde de HEER de God van Abraham, Isaäk en Jacob.

Met hen heeft God zijn verbond gesloten.

Zij zijn gestorven, maar zijn verbond is eeuwig.

Voor Gods aangezicht leven Abraham, Isaäk en Jacob.

Er staat niet dat Hij hun God was, maar dat Hij hun God is.

Wanneer Jezus dan zegt, dat God een God van levenden is en niet van doden, dan bedoelt Hij niet, dat God zich alleen met de nu levenden bezig houdt en de doden aan hun lot over laat.

Maar dan zegt Hij dat het verbond dat God met mensen hier op aarde gesloten heeft, door hun dood niet wordt afgebroken.

In het geloof dat God ons ook door de dood heen trouw blijft, mogen we degenen die overleden zijn geborgen weten.

En kunnen wij ook geruster leven en eenmaal los laten.

 

Dit geloof betekent geen vlucht uit onze werkelijkheid en uit onze verantwoordelijkheid in het leven hier en nu.

Integendeel!

Juist wanneer wij alleen op deze aarde gericht zijn, is er de verzoeking om niet lief te hebben, te leven voor ons zelf ten koste van anderen, alles er voor ons zelf uit te moeten persen wat er in zit, want straks is het voorbij.

In het besef verbonden te zijn met profeten en apostelen, martelaars en getuigen, met al die gewone mensen die ons zijn voorgegaan, met ‘heel Gods kerk, daarboven, hier beneden’,

in dat besef worden onze motieven gezuiverd,

onze wil versterkt,

onze hoop gevoed

en onze liefde vernieuwd.

Dan weten we dat ons leven en wat we daarin doen, hoe klein het ook lijken mag, betekenis heeft, zoals dat ook geldt voor wie wij moesten laten gaan,

want, zo staat er:  ‘de aarde en haar werken zullen gevonden worden’.

 

Gedachtenis van overledenen –

om te gedenken wat zij betekend hebben;

om te gedenken onze verbondenheid met elkander, ook over de grens van de dood heen;

dat is een troost in de scheiding die de dood gebracht heeft en het loslaten dat wij moeten doen;

dat is een bemoediging om onze weg door het leven toch weer te gaan.

Want we hebben een God die leeft en wij – en dat ‘wij’ is dan zo breed als het maar kan! – wij met Hem!

 

Wij leven, Toekomst tegemoet!

Amen.