preek ds. Christine v.d. End Kranenburg 21 april 2019



Overweging voor zondag 21 april 2019, Paaskerk Baarn, Paasmorgen                

Thema: ‘Een nieuw begin’

Teksten: Jesaja 51, 1-3 en Johannes 20, 1-18

 

Gemeente van Christus, geliefde mensen van God,

 Niet eerder heb ik onderweg naar Pasen zoveel religieuze, christelijke taal gehoord buiten de kerk…

Van voorgaande jaren herinner ik me wel het gedoe dat er was omdat de Hema en Albert Heijn reclame maakten voor een lentefeest zonder het woord ‘Pasen’ te noemen. We zouden onze christelijke waarden verkwanselen.

 Dit jaar heet het weer gewoon ‘Pasen’ wat we vieren, hoewel dat vooral over samen eten gaat. Ook een christelijke waarde…: samen eten betekent samen het leven delen. Maar de religieuze taal die ik bedoel, de taal die mij opviel onderweg naar Pasen, daarin ging het heel expliciet over ‘opstanding’ en ‘herrijzenis’.

Misschien is het een toevallige samenloop van heel verschillende omstandigheden… een politieke speler in het veld die zegt veel met het ‘opstandingsgeloof te hebben’, met het idee ‘dat wat dood lijkt of is, weer kan herleven’. Een voetbalteam dat deze week grotere voetbalgoden overwint en nog wel in Turijn, een soort van ‘inkopper’ om deze voetbalwedstijd te beschrijven als herrijzenis van de godenzonen van Ajax en een nieuw wonder van Turijn, iets wat ik in de krant las.[1]

De brand in de Notre-Dame van Parijs afgelopen maandagavond maakte het meeste los aan geloofstaal en beleving: dinsdag klonken er al stemmen dat de kathedraal zou herrijzen, als een feniks uit haar as. Je kon haast niet ontsnappen aan de symboliek zo vlak voor Pasen: een van de eerste beelden van de binnenkant van de Notre-Dame, was een lichtend kruis boven het altaar. Als een wonder gespaard. Zelfs de doornen kroon van Jezus, een belangrijk relikwie, was uit de brandende kerk gered.

 Of het nu om een politicus gaat die zich voordoet als messias, om een team van hemels spelende voetballers, of om een kerk die als een Moeder Gods er altijd voor haar stad was en zal zijn… het zijn vormen van opstandingsgeloof. Een geloof dat met de mythologische vogel ‘Feniks’ een link naar de Griekse mythologie heeft,[2] maar in onze westerse context veel meer nog het christelijke opstandingsgeloof inbrengt.

 Hoe verhoudt dit geloven van vandaag zich tot het geloof van Maria waar we vanmorgen over lazen?

 Een belangrijke vraag. Want… spreken van opstandingsgeloof in de wereld om ons heen is één ding… hoe wij er zèlf over spreken, denken op basis van de verhalen uit de Bijbel, hoe Jezus’ opstanding voor ons persoonlijk van betekenis is… daar gaat het uiteindelijk om… en dat verwoorden voelt kwetsbaar. Want hoe verschillend zijn we, in ons geloven, in hoe we ons uit kunnen drukken. De Bijbel getuigt op een veelkleurige manier van Jezus’ opstaan en leven. Vandaag horen we van Maria.

 Opvallend is dat, zoals Johannes het vertelt, Maria in het donker naar het graf loopt. Waar Marcus schrijft dat de vrouwen vlak na de zonsopgang op pad waren gegaan, is het bij Johannes donker. Alsof hij daarmee wil onderstrepen dat het niet meevalt om te zien wat er nu aan de hand is. Staand aan het graf, geloven in God die leven geeft door de dood heen… het is niet vanzelfsprekend dat je ziet wat er gaande is, dat je de Schriften begrijpt, eerder ingewikkeld en absurd.

 Maria is als eerste bij het lege graf, en uiteindelijk ook als laatste. ‘Maria stond nog bij het graf en huilde’, schrijft Johannes. Dat is wat verdriet met je doet. Het zet je stil. Het laat je afdalen in het diepst van je gedachten en gevoelens. En natuurlijk vergist Maria zich dan, ze kan niet meer helder denken en haar ogen zijn verblind door de tranen.

 Waarom zou je een tuinman treffen op een plek waar alleen maar rots-graven zijn?

Daar kan toch niks groeien, daar wil je liever helemaal niet zijn.

Of… vergist Maria zich juist niet?

Want roept de tuin niet gedachten op aan die eerste tuin, de Hof van Eden? De tuin die God aanlegde.

Toen in het begin alles woest en doods was en aardedonker en God zei: ‘Er moet licht komen’. En er wàs licht.

 Licht in het donker. Hoe intens zal Maria daarnaar verlangd hebben.

En die tuinman die ze dacht te zien, wakkerde dat verlangen alleen maar aan. Andere mensen kunnen houvast geven als het leven je zwaar valt. Hun meedenken, meer nog hun meevoelen, hun nabijheid, kan als een lichtpuntje zijn, als een vlam die je door de nacht heen helpt.

 Maar Jezus is meer dan een vlam in de nacht. ‘Licht voor de wereld’, schrijft Johannes. ‘Tweede Adam’, schrijft de apostel Paulus. Zoals Adam samen met Eva de eerste beelddragers van God waren, de eerste tuinman en tuinvrouw, zo is Jezus de tweede Adam.

 Jezus als tuinman… Maria ziet en zegt het dus precies goed!

Hij laat zien hoe te leven in Gods licht. Een licht dat door het donker heen breekt.

Zoals er voorafgaand aan de schepping chaos was, zo ook nu.

Het is God die steeds opnieuw vanuit de chaos een nieuw begin mogelijk maakt.

Ruimte om weer te aarden, te groeien, op te bloeien en te leven.

Als tuinman, als tweede Adam laat Jezus zien dat hij geplant is in de wereld, gezaaid in de harten van mensen.

Maria’s leven krijgt een nieuw begin.

 Toen de Notre-Dame in lichterlaaie stond, ontketende het een soort van beweging die we in Maria herkennen… Mensen verzamelden zich rond de kerk als rond een graf. Ze gingen bidden en zingen, Ave Maria, om te raken aan die heilige nabijheid van God, moeder Gods, of hoe ze het zelf ook zouden benoemen. Het verdriet om deze kerk en alles waar die voor stond zette de mensen stil. Deed hen afdalen in het diepst van hun gedachten en gevoelens. Het bepaalde hen bij hun geloven, hopen en liefhebben.

 Tot de volgende dag. Toen die ochtend bleek dat er nog iets te redden viel, stortten veel mensen zich massaal daarop. Niet alleen de doornenkroon en andere relikwieën waren aan de dood ontsnapt, zelfs dat wat in as lag kon herbouwd worden. De discussie over hoe, liefst zo authentiek mogelijk, barstte gelijk los. Hoe ingewikkeld ook, want wat maakt nu de ziel van deze Notre-Dame? Waar Jezus na zijn dood zegt: ‘houd me niet vast’, is het maar al te menselijk dit wel te doen. Vast te houden aan hoe iets was, terug te grijpen op vroeger. Geloof in opstanding wordt dan iets wat je zelf moet doen, alsof je het leven kunt breken èn maken.

 Onze diepste ervaring is dat dit niet zo is… geconfronteerd met ziekte, met zorgen, met een toekomst die we niet kunnen overzien… kunnen we er niet omheen dat we afhankelijke mensen zijn.

Afhankelijk van elkaar… van kwade krachten die mensen kunnen maken en breken…

afhankelijk van God als grond onder ons bestaan… menselijk dichtbij.

 De profeet Jesaja schreef:

De HEER troost Sion,

hij biedt troost aan haar ruïnes.

Hij maakt haar woestenij aan Eden gelijk,                                   

haar wildernis wordt als de tuin van de HEER.

 Maria vertelt dat ze de Heer heeft gezien… meer nog, ze heeft hem gehoord: ‘Maria!’, bij name gekend en geroepen is ze. Niet om Jezus vast te houden zoals ze dat gewend was toen ze samen optrokken. Nu was het aan haar zijn liefde handen en voeten te geven in de wereld om haar heen. Wat Maria meemaakt is geen glorieus verhaal waarin wat afgebroken is weer wordt opgebouwd zonder de sporen van gebrokenheid te dragen… Geloven in Jezus’ opstanding kan niet zonder zijn wonden onder ogen te komen.

 De ruïnes, woestenij en wildernis… wonden die het leven slaat… durven we erbij stil te staan?

 Het nieuwe begin is er temidden van de puinhopen,

de tuin bloeit rond het graf.

Als bloemen in alle kleuren van de regenboog

vormen we samen een tuin van de Heer.

En God zag dat het goed was.

Amen.