Preek 3 juli 2011

 

David heeft het hart
Preek over 1 Samuël 17 en Mattheüs 13:31-32
Paaskerk Baarn, 3 juli 2011, Overstapviering
Ds. H.A. van den Berg-Heuver

Geliefde mensen van God,

Toen we het hadden over de overstapviering, en welke Bijbeltekst we dan zouden lezen, riep iemand David en Goliat. En binnen no time waren alle jongen het erover eens: David en Goliat zou het worden. De dames waren minder enthousiast en ik zei ook: hoe gaan we dat verbinden met de overstap?

Nou, het gaat over groot en klein, en over groeien, zeiden jullie.

Groot en klein.

Nu hebben jullie net afscheid genomen als de oudste leerlingen van de school. De grootste. Het meest volwassen al.

En als jullie straks op de middelbare school komen, ben je ineens weer de brugpieper, de jongste en de kleinste. Terwijl jullie zelf niet veranderen.

Die ervaring kennen we allemaal. In sommige situaties voel je je op je plek, groeit je zelfvertrouwen, dan ben je heel wat. Met sommige mensen naast je kan je de hele wereld aan. En soms kom je ergens binnen dat je jezelf het liefst onzichtbaar maakt. Als je vreselijk overdressed bent, of underdressed. Als je zit tussen allemaal heel knappe koppen en jij begrijpt het eigenlijk niet zo wat er gebeurt.

Jij bent dezelfde persoon. Maar de situatie, en de mensen om je heen, hebben invloed op hoe je je voelt, op je zelfvertrouwen, op hoe spontaan en leuk je uit de hoek kunt komen.

In het verhaal van David en Goliat komt dat ook naar voren.

Goliat, de onbesneden Filistijn van zo’n drie meter lang, helemaal behangen met blinkende wapenuitrusting, met harnas en schild en zwaard en helm. En met een grote mond.

Iedere dag, veertig dagen lang, schreeuwt hij het volk toe: geef mij een man. Een man die mij aandurft. Dan vechten we het uit.

En de Israelieten zijn onder de indruk.

Onder de indruk van zoveel vertoon, van zoveel blingbling. En ze kunnen alleen maar denken: wij hebben niet zo’n krijgsheld, niemand van ons kan zich meten met de krachten van deze vechter, en hun moed zakt ze in de schoenen.

Dit kleine volkje heeft andere volken verslagen, heeft zat overwinningen al geboekt.

Maar tegenover deze dramaqueen, deze reus die uitdaagt en uitdaagt, en er al van uitgaat dat er niemand is die hem aankan, die zo vol is van zichzelf en zo minachtend over Israel, tegenover hem zijn ze niets.

Deze situatie heeft zoveel invloed op het zelfvertrouwen dat het helemaal ineenzakt. En dat vind ik best logisch eigenlijk.

Daar moet ik bij zeggen, dat dit verhaal niet alleen van één moment in de geschiedenis is.

Dit is het hele verhaal van één volk van God tegenover de enorme macht van de omringende volken.

Dit is niet het verhaal van 1 journalist die heeft opgeschreven wat er is gebeurd.

Dit is het verhaal van een heel volk dat het verhaal heeft doorverteld en de eigen hoop en wanhoop, geloof en ongeloof erin heeft gelegd.

Of er echt een man van 3 meter heeft rondgelopen, laten we maar in het midden.

Maar in het verhaal is Goliat tot zulke mythische proporties uitgegroeid, omdat dát is waar het volk Israel altijd mee moest rekenen: met grootheid en macht en minachting en veel vertoon en heidendom.

Ze hadden te maken met anderen die ondermijnden waar zij voor stonden.

En dat is Goliat.

Want het punt is natuurlijk eigenlijk: Goliat ondermijnt waar Israel voor staat. Goliat ondermijnt de Naam van God.

De Naam van de Eeuwige, van Hem die niet loslaat wat zijn hand begon.

De Naam van die God, die niets liever wil dan dat mensen in vrede zullen samen leven.

Een God, die zijn Geest gegeven heeft - zijn Geest, die als enige in staat is de spiraal van haat en nijd te doorbreken.

Goliat ondermijnt de Naam van God, en daarmee alles waar die Naam voor staat. En dat drukt de moraal van de Israëlieten zo neer dat ze weerloos staan.

En dan komt David. En die reageert heel anders.

Niet omdat hij zo heldhaftig is, of misschien zelf niet omdat hij zo gelovig is. Maar David heeft zich nog niet in laten pakken.

Als hij hoort hoe die reus daar staat te tieren - en als hij ziet dat niemand ook maar een vin verroert denkt David: wat is dit voor geks?

En hij vraagt het ook: "Wat is dit voor geks? En die man daar te brullen, wat is dat voor gek? En jullie, wat reageren jullie gek?

Zien jullie dan niet wat hier gebeurt? Die grote kerel daar, dat vechtvarken, die staat daar niet alleen Israël uit te dagen, of koning Saul, hij daagt God uit.

Die God, die de mensen geschapen heeft om in zijn Naam elkaar hoog te houden; die de mensen het leven heeft gegeven om elkaar te behoeden en te bewaren. Zijn Naam, ook al heeft Goliath die naam nog niet één keer in de mond genomen, zijn Naam wordt hier door de modder gehaald.

En van jullie mag dat allemaal?

Volgens jullie moet je daar maar mee leren leven of zo, met dit soort machten die hun gang maar gaan, die zich breed maken en de schepping verstoren en Gods kinderen vertreden?

Nee, natuurlijk vinden ze dat niet goed. Vast niet. Maar ze zijn zo onder de indruk, hun moraal is zo neergeslagen, hun zelfvertrouwen heeft zo’n knauw gekregen, dat ze het denk ik niet zagen. Ze lieten zich zo inpakken door Goliat’s geroep”geef me een man!” dat ze verder niets hoorden.

En David gaat naar koning Saul: ik doe het wel. En Saul stemt in, en geeft hem zijn uitrusting, zijn harnas en zwaard en alles. Saul geeft Goliath een man.

Maar David zegt: dat past mij niet. Ik ga zonder.

Want David is niet de man die Goliat zoekt.

Niet die bonk testosteron van 3 meter die indruk maakt door postuur en grote mond. Als het gaat om kracht meten met kracht, dan verliest degene met de minste kracht. En dat zou nu natuurlijk David zijn.

Tegen zoveel minachting kan hij niet op.

En daar wil hij ook niet tegenop. David gaat niet op Goliat af om aan Goliats wens te voldoen.

David gaat eropaf omdat hij nog staat voor de Naam van God, omdat David alles waar die Naam voor staat wil behouden.

En David gaat niet in de rol die iedereen van hem verwacht. David gaat als zichzelf.

En hoor, wat zegt David tegen de Filistijn? "Gij treedt mij tegemoet met zwaard en speer en werpspies, maar ik treed u tegemoet - met slechts eencatapult?"

Nee, dat zegt hij niet. Het gaat niet om wie niet sterk is moet slim zijn. Het gaat erom dat David überhaupt niet meegaat in Goliats geschreeuw. Dat hij geen strijd wil voeren.

David zegt: ,,ik treed u tegemoet in de Naam van de Heer, de God van Israël, die gij getart hebt.''

David gaat als zichzelf, met de Naam van de Eeuwige, die hem dierbaar is. Op hoop van zegen dus gaat hij.

David heeft het lef.

Lef, dat is Hebreeuws voor hart. Voor leven.

Zoals ook Goliath een mytische figuur is door de eeuwen heen, iemand waarin de vertellers van het verhaal al hun frustraties hebben gelegd over de omringende volken. Zo is ook David een mythische figuur geworden, iemand waarin alle hoop en geloof is gestopt, hoop op een goede koning. En waarin de ervaringen gestopt zijn denk ik van leven met God.

Want dat zien we steeds weer in de Bijbel, en ook hier: God gaat niet mee in de situatie, in de cultuur, gaat niet kracht met kracht meten, man tegen man. In Bijbelverhalen gebeurt zelden het logische. God werkt op zijn eigen manier. Niet door het zwaard. Maar door het hart.

David heeft het lef, het hart, om op Goliat af te gaan. Als zichzelf. Op hoop van zegen.

En dat wil ik jullie meegeven. Leg je lat niet te hoog, zoals ik zei: in de figuur David zit de hoop en geloof van een heel volk. Je mag genoeg hebben aan jezelf. Maar heb het hart. Het lef. Dat vraagt de overstap ook wel, een nieuw begin is toch even je over een drempel heenzetten. Laat je niet inpakken door wie of wat je de grond inboort. Want je kan groeien, zoals het mosterdzaadje.

En ga op hoop van zegen.

Amen