Preek 9 oktober 2011

 

Durf je wel of durf je niet - Drempelvrees
Preek over  Numeri 13 en 14
Paaskerk Baarn, 9 oktober 2011
Ds. C. Kruijswijk Jansen

    
Kerkdienst met de kinderen van de Koningin Wilhelmina School, KWS.

Iedereen heeft wel diep van binnen het verlangen dat alles goed is, dat je je veilig voelt en geborgen. Ik lig wel eens op m’n rug in het gras als de zon schijnt, dan zie ik de blauwe lucht en de wolken, en dan voel ik me zo fijn, alsof alles goed is. In de bijbel heet dit verlangen ‘beloofd land’ en wordt gezegd dat God het ons belooft. Hij zal ieder mens het beloofde land schenken. Ieder mens heeft z’n beloofde land, voor iedereen anders, voor niemand gelijk, maar het voelt als iets goeds, waarin je je geborgen weet.

In de bijbel wordt het verhaal verteld van Mozes en het volk Israël die op weg zijn naar hun beloofde land. Mozes zoekt 12 mensen uit om het land te gaan verkennen, uit iedere stam één. Jozua is er bij en Kaleb, en nog tien anderen. Verspieders waren zij, om te zien hoe het land er uit zou zien, te verspieden. Vanuit de woestijn gaan ze de heuvels in, daar moet het zijn. Wat ze zien is niet mis, mensen, huizen, dorpjes, steden, het voelt goed, zeker als ze druiventrossen zien die zo groot zijn dat je ze met twee man moet tillen.


Maar dat was niet het enige. Er liepen ook mensen rond om bang voor het zijn, twee keer zo groot als ik. Als je daar ruzie mee zou krijgen, dan was je nog niet jarig. reuzen waren het, Enakieten.

De twaalf mannen werden er onrustig van. De een zei: Ik hoef dat niet, ik durf niet verder, een ander sloot zich erbij aan, bijna allemaal. Alleen Jozua en Kaleb hielden vol. Kom, zeiden ze, God heeft ons beloofd dat ook wij een beloofd land zullen hebben, dan moet je toch op God vertrouwen. Hij heeft het beloofd! Ze kregen ruzie onderweg naar huis. Durven we, of durven we niet?!

De kinderen van de Koningin Wilhelmina School hebben over deze vragen deze week gewerkt. Je ziet hoe de kerkzaal versierd is. Voor de preekstoel hangt een hele grote druiventros, tegen de achterwand, tekeningen van melk (koeien), honing (beren) en druiventrossen. Daar zie je het beloofde land verbeeld. Maar dat is niet het enige. Ter weerszijde staan twee muren. Een ‘durfmuur’ aan de ene kant, met tekeningen van wat je allemaal wel durft, en een ‘angstmuur’ aan de andere kant, waarop verteld wordt wat je allemaal wel zou willen, maar niet durft. En daarboven maskers van blije, vrolijke mensen, en van engerds om bang voor te zijn.

Op de muur van wat je allemaal wel durft staan tekeningen van bergbeklimmen en parachutespringen, en dat je op een kameel durft te rijden. Op de angstmuur staat de angst voor dinosaurussen en spinnen, en dat je niet voor een grote groep mensen durft staan om te spreken, hoe eng dat is, en dat je wel naar een arm land zou willen om mensen te helepn, maar dat je nog zo klein bent. De weg naar  beloofd land is best moeilijk. Ook nu is de vraag: durf je of durf je niet?

Wat zou je nu kunnen helpen om te kiezen? Want beloofd land is wel belangrijk, je hebt het nodig om te leven! Het beloofde land heet in de bijbel ‘het land van melk en honing’. Waarom heet dat zo? Deze uitdrukking wordt nergens verklaard, daarom doe ik het vandaag. Eerst maar eens de melk: Wat heeft melk te maken met beloofd land: omdat melk het eerste is wat een mens krijgt als ie geboren wordt. Dat krijg je melk uit de borst van de moeder, of als dat niet wil melk uit een flesje. Van melk ga je groeien en krijg je sterke botten. Melk is dus de ‘eerste levensbehoefte’. En de honing dan? Honing is heel kostbaar, het wordt verzameld door de bijen. Uit iedere bloem halen ze een heel klein beetje honing en brengen dat naar de korf. Om een potje honing te krijgen moet een bij dus heel veel heen en weer vliegen. Honing is ook lekker zoet, dat maakt het eten heerlijk. En je wordt er rustig en tevreden van. Als ik vroeger niet kon slapen, ging ik naar beneden, dan maakte mijn moeder wat melk warm en deed er een lepel honing in. Daar werd ik heerlijk rustig van en kon weer lekker slapen. Honing maakt het leven dus aangenaam en fijn. In het land van melk en honing kun je dus veilig zijn, daar wordt aan je levensbehoefte voldaan en daar is het fijn en goed. Maar ik mis nog iets, laten we zeggen een ‘laatste levensbehoefte’. Het visioen in de bijbel is dat in je beloofde land iedereen onder zijn vijgenboom en wijnstok mag zitten. Aan de wijnstok groeien druiven, daarvan kun je druivensap maken, en van druivensap wijn. Ik zie al voor me dat ik oud ben geworden en dan met een glas druivensap of wijn heerlijk onder mijn vijgenboom mag zitten. Wijn hoort dus ook bij het beloofde land, een besef van geborgen zijn.

Maar de werkelijkheid is vaak anders, zo geborgen is het niet als er ruzie heerst, of als je gepest wordt. Er kan zoveel verdriet zijn, zo’n gevoel van alleen zijn omdat je geen vriendje of vriendinnetje hebt, niemand om mee te spelen. Of als je eens een brand het meegemaakt, dan kun je daar nachtmerries van krijgen. Toen ik klein was, zat ik net als jullie op school. Als ik van huis naar school liep, moest ik altijd langs een jongen die wel een hoofd groter was dan ik. Die jongen plaagde me en maakte me bang. Hij kon knijpen en schoppen. Dan kwam ik huilend thuis en wilde niet meer naar school, maar mijn vader zei dan ‘je moet toch wel naar school, probeer maar niet bang te zijn, je kunt het wel, toe maar’. En dan ging ik weer. Maar de volgende dag was het weer het zelfde gepest. En weer zei mijn vader ‘niet bang zijn, je kunt het wel’. Iedere keer als mijn vader dat zei, werd ik een klein beetje groter en werd ik een beetje minder bang. En op een dag was ik helemaal niet bang meer en hield het pesten van die jongen vanzelf op!

Wat mijn vader tegen me zei ‘je hoeft niet bang te zijn’, zegt God altijd tegen ons: ‘je bent nooit alleen, Ik ben altijd bij je, ook jij bent een kind van God!’ Jullie zongen het zojuist: “Op God kun je vertrouwen, Hij helpt je er doorheen.”

In de bijbel komt ook zo iemand voor, we hebben van hem gezongen in psalm 84, over een man die ieder jaar naar de tempel gaat als pelgrim, bedevaartganger. De tempel is zo’n mooie plek, daar vind je geborgenheid en rust. De tempel is ook een beloofd land. Die man ziet hoe de vogels in de gaten en spleten van de tempelmuur hun nestjes maken, de zwaluwen en de mussen. Dan denkt hij: die zwaluwen zijn zulke mooie vogels, die horen wel thuis bij God. Maar de mussen, dat zijn van die gewone straatvogeltjes… Maar als de mussen een plek hebben bij God, dan is er ook wel een plek voor mij.

Hij wordt daar zo blij van dat het net is alsof hij vleugels krijgt. Op weg naar de tempel loopt hij door het verdorde land, maar het lijkt net een groene wei; het is er gortdroog maar het lijkt net een oord van bronnen. God belooft ons een beloofd land voor iedereen. Elk mens mag op weg naar beloofd land, elk mens mag wonen in geborgenheid. We gaan er nog eens van zingen met de woorden van psalm 84.

Amen.