Preek 7 augustus 2011

 

Ga maar op weg, ik ga met je mee
Preek over  Psalm 138 en Mattheüs 14:22-33
Paaskerk Baarn, 7 augustus 2011
Ds. C. Kruijswijk Jansen

    
De dichter Marsman schreef een mooi gedicht over Holland: “Denkend aan Holland / zie ik brede rivieren / traag door oneindig / laagland gaan”. Hij schildert et landschap, de wilgen en de populieren, vredig. Maar aan het slot verandert de toon: “en in alle gewesten / wordt de stem van het water / met zijn eeuwige rampen / gevreesd en gehoord”. Rivieren zijn fascinerend, ze geven leven en ze nemen leven. Ik heb in mijn jeugd aan de IJssel gewoond, ik heb er in gespeeld bij de Zeeverkenners en ik ben er bijna in verdronken. Maar het is en blijft fascinerend. Uren heb ik er aan de stroom gezeten. Alles kwam voorbij, de binnenvaartschepen, de parlevinker, maar ook de matrassen, de sinasappel kistjes, het riool kwam er op uit, dat ook. Langzaamaan verdween het om de bocht om dan ergens bij Kampen in het IJsselmeer terecht te komen, uit het oog uit het hart. Waar zou het heengaan waar zou het blijven?

Dit beeld heb ik verbonden met de laatste regel van Psalm 138: ‘Laat niet varen et werk van uw handen’. ‘Laten varen’ heeft te maken met vallen, iets uit je handen laten vallen, of een plan laten varen, of jou: ze laten je vallen! Er zijn zoveel mensen die we laten varen. De laatste tijd komen er steeds meer schrijnende verhalen boven van mensen die al jarenlang onderdak zoeken en nergens heen kunnen omdat ons beleid om mensen toe te laten steeds hardvochtiger wordt, asielzoekers die veiligheid zoeken en vrede bij ons. Of je hebt twintig jaar prima samengewerkt en ineens zeggen ze tegen je dat het ophoudt. Je kunt gaan, ze laten je vallen als een baksteen. Of je ex-man gaat dood. Jaren geleden heeft hij je laten vallen voor een ander en weer laait de woede op dat je destijds als een vaatdoek bent behandeld en weggegooid. De woorden van Psalm 138 klinken als een gebed: “O God, laat niet varen het werk van uw handen”.

Overigens, zonder de grondtekst geweld aan te doen, kun je de laatste regel van Psalm 138 evengoed lezen als een uitroep van geloof: “God laat het werk van zijn handen niet vallen! Het kan allebei: uitroep van angst én uitroep van zekerheid. Dat maakt deze psalm zo menselijk en nabij. De dichter heeft iets beleefd, iets geweldigs, wat hij noemt verlossing en uitredding. Hij heeft geroepen, en hij is gehoord. Dat geeft hem het besef dat hij zich (weer) durft toevertrouwen. De euforie klinkt door: God ziet de kleine mensen aan, hij ziet ons, maar de mensen die te hoog zitten, die zich verheven voelen, die doorziet hij. Ons houdt hij vast als we ons ellendig voelen, hij bewaart ons tegen onze vijanden.

Wat de dichter uitroept is eigenlijk de vertaling van de godsnaam JHWH: Ik ben die ik ben, ik ben er altijd bij, waar je ook gaat. Ga maar, ik ga met je mee! Het vervult hem et dank, iedereen moet het horen en weten en ervaren: Je gaat niet alleen, God gaat met je mee! Het lastige van euforie is dat het zomaar kan omslaan in wanhoop. Eerst roep je uit ‘ik ben er’, even later kan het zo maar zijn dat je moet zeggen: ‘ik ben er niet meer’.

Het kan zomaar omstaan, dat zie je ook in het verhaal van de overtocht over het meer. Petrus loopt over het water. Hij rédt het, hij kan het leven aan! Maar dan ziet hij de golven, de tegenwind, en hij wordt bang. Hij redt het niet meer en hij zinkt als een baksteen. De overtocht is de symboliek van de weg door het leven, de levensweg. Je moet op weg, naar de overkant. De vraag is of je het volhoudt als het nacht is en de wind tegen zit en de golven hoog gaan, als er van alles op je afkomt dat maar rondspookt.

Zul je het redden? Ik denk dat dit de reden is dat Jezus de leerlingen letterlijk ‘dwingt’ om in de boot te stappen en aan de overtocht te beginnen. “Hij dwingt hen om in de boot te gaan”, staat er. Waarom ‘dwingen’? Omdat je met leven moet leren, je moet leren met vallen en opstaan hoe het is. Dat gaat niet vanzelf. In het leven kom je jezelf tegen, in je zwakte én in je kracht! Al gaande moet je ervaren en ontdekken dat er vertrouwen is, dat je je kunt toevertrouwen. Het grote geheim is dat je niet alleen gaat: God gaat met je mee. Hij is het die je toeroept: “Houdt moet, ik ben het, vrees niet!”

Nico ter Linden, de schrijver van het verhaal dat we hebben voorgelezen uit de kinderbijbel ‘Wandelen over het water’, te vinden in de bundel ‘Rijden op een ezel’, schreef al eerder een serie bijbelboeken onder de titel ‘Het verhaal gaat…’ In die serie behandelt hij ook de tocht over het meer.  Hij vertelt dat hij als pastor in de gevangenis werkte en de vraag stelde: “Wat vinden jullie het mooiste bijbelverhaal?” Normaliter zou je als antwoord krijgen “De verloren zoon”, of “De barmhartige Samaritaan”, maar is de gevangenis krijgt je steevast het antwoord: ”Het lopen over het water, dat Jezus over het water loopt en dat Petrus over het water loopt”. Want gevangenen weten hoe angstaanjagend het leven kan zijn, hoe gevaarlijk en onvoorspelbaar. Het kan zomaar gaan spoken.

Je voelt hun verdriet en je voelt hun verlangen om over het water te kunnen lopen, om het leven aan te kunnen. Wat zou dat mooi zijn om dat te kunnen. Durf jij het leven aan? Durf jij te lopen over het water? Je kunt jaloers zijn op Petrus die op het water loopt. Maar laten we niet overdrijven. Zo’n groot geloof hoeft nou ook weer niet. Het maakt je zo kwetsbaar. Even later slaat het om in het tegendeel en ben je nergens meer. Bovendien geloof ik niet zo in dat zekere. Ik heb altijd argwaan gehad tegen mensen die zo super zeker zijn van hun geloof, van alles. Beangstigend vind ik dat altijd, en wat meewarig. Dat laatste zie je goed verbeeld in de tekening van Jetses, die ik terugvond in de kinderbijbel van Anne de Vries: de grote Petrus die zo angstig in de golven verdwijnt…

Daarom vind ik Psalm 138 zo menselijk nabij. De zekerheid en de twijfel liggen zo dicht bij elkaar. “O God, laat ons niet varen!” Je hoopt dat je roepen wordt gehoord, dat je kracht zult vinden en bezieling. Dat er iemand is die je hand pakt en tegen je zegt: “Kom, ik help je, ik ga met je mee”. Ook dat heeft Jetses prachtig getekend in de persoon van Jezus die zich liefdevol vooroverbuigt.

Wat zou het mooi zijn als iemand tegen jou zou zeggen: “Kom maar, kleine twijfelaar, ik laat je niet alleen, ik ga met je mee”. Misschien moet we het eens tegen elkaar zeggen: Ga maar op weg, ik ga met je mee”. Zo zullen we ervaren dat God met je mee gaat! Ga maar op weg, Ik ga met je mee.
 
Amen.