Preek 17 juli 2011

 

Laat het samen opgroeien - kome wat komt
Preek over  Mattheüs 13: 24 - 30
Paaskerk Baarn, 17 juli 2011
Ds. C. Kruijswijk Jansen

 

Nederland was in shock op zaterdag 9 april. Tristan vdV ging schietend rond in een winkelcentrum in Alphen aan de Rijn, dood en verderf zaaiend. “Welke idioot doet zoiets”, was de roep, “Wie heeft hem die wapenvergunning verstrekt”, was de volgende. Al gauw was de behoefte dat een schuldige zou worden genoemd. Er zouden koppen moeten rollen, was de algemene opinie. Nu beginnen berichten door te komen dat de man ziek was, en geïsoleerd, gepest met z’n pukkelkop, gekleineerd en afgewezen.

Ook dat gebeurt onder ons, dat mensen, kinderen op school, ouderen op het werk, worden gepest en afgewezen. Waarom doet niemand dáárwat aan? Wat maakt pesten toch zo aantrekkelijk?? Het is als het onkruid, dat sámen opgroeit met het graan. Volgens Jezus is dat sámenopgroeien het Koninkrijk. Het geeft je een unheimisch en onvoorspelbaar gevoel.

Dat unheimische trof ons deze zomer in Oradour sur Glane, een dorp in Midden Frankrijk dat op 10 juni 1944 is uitgemoord, 642 mensen vonden de dood, 6 wisten te ontkomen. Op 6 juni was de invasie in Normandië, de Duitsers wilden een daad stellen van hun kracht met een terreurdaad. Op 10 juni omsingelden ze Oradour, alle mannen werden in schuren en opslagruimten verzameld en afgemaakt, alle vrouwen en kinderen werden in de kerk bij elkaar gedreven, waar hetzelfde gruwelijke gebeurde. Daarna werd het dorp in brand gestoken om de sporen uit te wissen. Nu staan de (brokstukken van) muren nog overeind. Het dorp is monument geworden, gedenkplaats.

Op de buitenkant van de kerk hangt nog steeds de crucifix met het Christusbeeld. Hij heeft het allemaal gezien. Hij hing daar maar en deed niets. Is het niet het beeld van God die maar toelaat, die niet ingrijpt? Waar is God? Is er wel een God? “Had dat onkruid niet gewied moeten worden? Hebt u soms geen goed zaad op de akker gezaaid?” Het hangt daar als een aanklacht, zo lijkt het.

Zo lijkt het, want je kunt beter aan iets anders denken. De gekruisigde Christus is hét beeld van God die lijdt met de mensen, God die kapot gaat aan het lijden en het kwaad in de wereld, God die door het onkruid overwoekerd wordt. De gekruisigde Christus is hét beeld van het mede-dogenen het mede-lijden, hét beeld van verbondenheid. Je vindt de verbondenheid verwoord in Psalm 136, in het woord goedertierenheid. 26 keer komt het  voor in deze psalm: “Want zijn goedertierenheid zal bestaan in eeuwigheid”. Ik heb het al eens eerder verteld: de letters in het Hebreeuwse alfabet hebben ieder een getalswaarde. De letters van de Godsnaam, JHWH, 10+5+6+5, vormen samen opgeteld het getal 26. Het meest karakteristieke dat je van God kunt zeggen is dus: goedertieren, oftewel solidair, met een arm om je schouder naast je, om samen met jou te dragen wat niet te dragen is. Zo, in dit beeld, verbindt God zich met mensen in hun lijden en pijn.

Toen ik als predikant uit Hoevelaken wegging, kreeg in van de RK collega een cadeautje. In het klooster Stoutenburg mocht in een crucifix uitzoeken. Het hangt op mijn studeerkamer. Het buxustakje van palmzondag heb ik er achter gestoken tot en met Aswoensdag. Ik denk bij de gekruisigde Jezus niet aan het “voor onze zonden gestorven”, eerder aan “door”onze zonden gestorven, en tóch laat hij ons niet los, houdt hij ons vast in zijn goedertierenheid.

Stil lopen we doore Oradour, de ruïnes van de huizen, de tramrails met de bovenleiding nog aanwezen, langs de verroeste auto’s, de naaimachines, de kinderwagen vol kogelgaten, allemaal stille getuigen van kruid en onkruid dat samen oppgroeit.

In Noord Frankrijk ligt Verdun, waar in juni 1916 een doorbraak werd geforceerd in de al tijden stilliggende loopgravenoorlog. In een etmaal werden zoveel granaten afgevuurd dat negen dorpen met de grond gelijk werden gemaakt. Wat overbleef was en kraterlandschap. In een jaar tijd vonden één miljoen Franse en Duitse soldaten de dood. Een van de verdwenen dorpen is Duamont, daar vind je u een monument om te gedenken, een sarcofaag, een stenen doodskist waarin 130.000 niet geïdentificeerde soldaten bijeenliggen. Hun botten en schedels kun je door de kijkgaten nog zien. Om het Ossuarium, zoals het heet, heen, liggen de oneindige erevelden met de kruisen. Op ieder ervan twee namen.

In het centrum van Verdun staat een beeld van Rodin, de gevleugelde overwinning. Een engel vliegt op uit de as, maar het lukt niet. Het wordt gehinderd door de dode soldaat in haar schoot, als een Piëta.  Aan het verkrampte gezicht van de engel zie je hoe zwaar het valt dat de overwinning niet gevierd kan worden. Rodin heeft uitgebeeld dat er geen overwinnaars zijn, er zijn alleen maar slachtoffers. Deze oorlog, en wat voor oorlog ook, nog nooit is er eenb rechtvaardige oorlog gevoerd. Iedere oorlog, iedere bomaanslag, iedere zelfmoordaanslag, hoe rechtvaardig het ook lijkt, nooit zijn er overwinnaars, alleen maar verliezers. Het verdriet en het gemis, de offers: het is niet te vervangen. In de roman “Ded tweeling” verwoordt Tessa de Loo dat er alleen maar slachtoffers zijn. De moeder van de tweeling sterft vroegtijdig, waardoor de kinderen elders moeten worden ondergebracht. De ene groeit op in Nazi-Duitsland, de andere groeit op in bezet gebied in Nederland. Als ze oud zijn en gebreken krijgen ontmoeten ze elkaar in een kuuroord in Spa. Daar vertellen ze elkaar hun levensverhaal, twee verliezers. aan beide kanten. Stil worden we bij het beeld van Rodin. Het verwrongen gelaat van de engel bepaalt ons bij het onmogelijke, als een stille getuige dat het kruid en het onkruid samen opgroeien.

Moeten we er niet iets aan doen? We moeten toch iets doen?! Je kunt het kwaad toch niet zomaar laten voortwoekeren?! Die behoefte hebben wij: er moet toch iets gebeuren met de daders! Zo hebben de hoorders in de eerste gemeente gereageerd. Ze hebben een uitleg toegevoegd die door de evangelist als een woord van Jezus is uitgelegd. Maar het is geen woord van Jezus, maar van zijn volgelingen. Ze leggen de nadruk op de straf voor het onkruid, voor het jammeren en tandenknarsen. Dat is bangmakerij, dat is roepen om vergelding, zoeken naar een zondebok.

In de gelijkenis zelf ligt de nadruk niet op de vergelding of de straf. De nadruk ligt op de lange adem, op het volhouden als je getroffen wordt. Dat wil dus zeggen, dat Jezus zich verbindt met mensen die de dupe zijn, degenen die gepest worden en klein gehouden. Hij roept hen op om samen op te groeien, mét het onkruid. Dat is blijkbaar het Koninkrijk. Hou vol, dit is het einde niet. Je moet het kwaad niet ontkennen, dat kan niet, maar je moet je er niet door laten neerdrukken. Blijf vertrouwen op het leven, hoe zwaar het soms ook is. Blijf vertrouwen op mensen, hoe beestachtig ze soms ook zijn.

Misschien spreekt Jezus ook zichzelf wel moed in: Dat doe ikzelf immers ook. Ik hou van jullie, ik laat je niet in de steek, ook al kost het me m’nleven. Ik geloof niet dat God los laat, Hij laat het werk van zijn hand niet varen. Je wórdt gedragen. En op het beslissende moment word je opgevangen, in zijn handen. Zo zou Jezus het hebben kunnen zeggen. Later wordt dit motief in de Heidelbergse Catechismus herhaald in Zondag 10, over Gods vaderlijke hand waaruit rijkdom en armoede komt, gezondheid en ziekte, wat al niet. Niet om aan te geven dat God de touwtjes in handen heeft, maar om duidelijk te maken hoe de kaarten liggen. Er kan je van alles overkomen, mensen kunnen je naar het leven staan, maar er is er maar één die regeert. Laat je niet regeren door dat alles wat over je komt, blijf overeind, want alleen God regeert!  Laat dat je overeind houden als het kwaad over je komt.

Ja maar, moeten we niet echt iets doen tegen het kwaad in onszelf of in onze wereld? Ja, natuurlijk wel, maar kijk wel uit. Met het kwaad kun je ook het goede uitroeien. Het is net een chemokuur. De kwade cellen worden gedood, maar ook de goede. Je moet het wel zorgvuldig doen. Met zorg tewerk gaan. En nog iets: er bestaan geen goede en kwade mensen. Ieder heeft iets van beide in zich, goed en kwaad. Pesten roei je jammer genoeg niet uit. En de wereld versimpelen in goed en kwaad kan ook niet.

Je moet leren omgaan met goed en kwaad, je moet keuzes maken. Dat gebeurt met vallen en opstaan. Door schade en schande word je wijs, en volwassen. Maar intussen moet je volhouden, het uithouden en vertrouwen zoeken, eraan vasthouden dat het goede zal overwinnen. Het is als met het graan en het onkruid: Laat het samen opgroeien, kome wat komt.

 

……………..
 
Amen.