Preek zondag 15 januari (zondag van gebed voor de eenheid)

Winnen met gevouwen handen
Preek over  Habakuk 3:17-19 en 1 Korintiërs 15:51-58
Paaskerk Baarn, 15 januari 2012
Ds. Machteld van Woerden

Het is een goede gewoonte om in de maand januari van kansel te ruilen op de 1e zondag van de week van gebed voor de eenheid. De diverse Baarnse voorgangers geven het startsein van die week, maar preken niet voor eigen parochie. Misschien dat vreemde ogen dwingen, of dat een andere stem ook anders aanspreekt.
In ieder geval neem ik u mee op een kleine ontdekkingsreis naar de betekenis van de teksten als opmaat voor deze komende week.
 
Bidden voor de eenheid, daar begint het mee. Eenheid van de kerken, wordt er over het algemeen mee bedoeld en om te beginnen is dat ook zo. De kerken zijn dikwijls nog hopeloos verdeeld en oecumenische gedachten over grotere saamhorigheid, over erkenning over en weer bijvoorbeeld van de eucharistie, zijn dikwijls nog - of zelfs opnieuw - vrome wensen. Kijk naar onszelf. U PKN, ik Doopsgezind. Maar hoe PKN bent u hier in Baarn eigenlijk? En waarom komt de samenwerking toch zo moeizaam van de grond? En de Doopsgezinden dènken wel oecumenisch, maar geven als puntje bij paaltje komt hun identiteit toch niet gemakkelijk op. Zij haakten daarom indertijd af bij het Samen op Weg proces.
 
Er zijn wel een paar lichtpuntjes: wij bestrijden elkaar niet meer (zoals dat 400 jaar geleden nog volop gebeurde; ik zal daar volgende week op terugkomen) en de plek waar we elkaar op zijn best kunnen vinden is, meen ik, het terrein van het diakonaat, de praktische hulpverlening, het er-zijn-voor-de-ander. Ook met onze Roomse geloofsgenoten kunnen we op dit gebied moeiteloos samenwerken. Hier vraagt niemand naar denominaties en worden we allemaal beoordeeld naar wat uit onze handen komt. In het diakonale veld kunnen de deelnemers van de verschillende kerken in eensgezindheid van handelen ineens een mooie lappendeken vormen. Ieder met een eigen uniek lapje, maar wel onderdeel van die ene grote kleurrijke deken. Dat kun je dan ‘eenheid in verscheidenheid’ noemen, die alleen kan gedijen als wij elkaar allemaal accepteren en zien staan als unieke personen in evenzovele unieke gemeenschappen. Als wij durven leren van elkaar en als wij bereid zijn, om met Paulus te spreken, om veranderd te worden.
 
Ik denk dat het om nog een andere, minder spirituele, eenheid gaat, waarvoor het gebed bedoeld kan zijn. Dat is de eenheid van de volken in deze wereld. Mensen, die elkaar zouden kunnen zien als medeburgers in deze ene ondeelbare en onvervangbare wereld. De anderen zien en waarderen in hun anders-zijn en dat niet als een bedreiging ervaren, maar als een verrijking. Je zou het een hogere vorm van eenheid tussen de wereldvolken kunnen noemen. Geen eenheidsworst, maar juist het waarderen van het anders-zijn en toch met elkaar samenwerken in het besef dat ieder deel mag uitmaken van het grotere verband van volken-gemeenschappen. Met respect voor ieders eigen lapje in de grote mondiale deken. Dat is, naar mijn mening, in een notendop het visioen van wereldvrede. Zou dat niet kunnen? En… mag je daarvoor bidden?
 
De Poolse christenen, die het materiaal aandroegen voor deze oecumenische dienst, meenden dat dat mocht. Zij hebben de situatie in Polen, nu het land bevrijd is van het communisme en het zich heeft aangesloten bij de Europese Unie, geduid als “winnen met gevouwen handen”. De overwinning van Christus op de vergankelijkheid, waarover Paulus in zijn brief spreekt, hebben zij verbonden met hun eigen geschiedenis. Ze hebben hun handen gebruikt om te bidden en niet om anderen kwaad te doen. De omwenteling kwam immers ook zonder bloedvergieten tot stand. Vandaar het thema: winnen met gevouwen handen. Mag je je handen dan helemaal niet uit de mouwen steken? Is stilzitten en bidden dan genoeg? En wat vermag bidden dan eigenlijk?
Bidden als tijd nemen en aandacht vragen voor stilte om na te denken kan heel noodzakelijk zijn. Zo kan bidden ook inzicht geven, gedachten verhelderen, krachtbronnen aanboren. 
 
Onze Poolse broeders en zusters kozen de bijbelteksten voor deze zondag en dat deden zij niet zonder reden. De profeet Habakuk was hun eerste, oudtestamentische keus. Hij leefde in de tijd van de Babylonische dreiging, vlak voor de verwoesting van de tempel in Jeruzalem in het jaar 586 voor onze jaartelling en in dat verband had hij geen zonnig toekomstperspectief. Om de ernst van de dreiging aan te geven vertelt hij over de vijgenboom, de wijnstok en de olijfboom, die niet of nauwelijks vrucht zullen dragen. Nu horen precies deze drie tot de edelste gewassen in Tenach en geldt het eten van de vruchten van de vijgenboom, de wijnstok en de olijfboom als teken van welvaart, vrede en voorspoed. Elders in Tenach kunt u een uitspraak vinden over het goede leven in messiaanse vredestijd, dat wordt omschreven als: ieder zal neerzitten onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom. Welnu, om aan te geven dat het leven rond het jaar 586 in het teken stond van onvrijheid, oorlog en verbanning, beschrijft Habakuk, naast het ontbreken van de edele gewassen, ook nog het ontbreken van het dagelijks brood en tot overmaat van ramp: geen schaap of rund staat er meer op stal. De voortekenen zijn bijzonder negatief.
 
Maar daar eindigt het niet mee. Er komt nog een soort ‘en toch’ achteraan. Ondanks alles, of misschien wel juist, omdat alles in de richting van naderend onheil wijst, blijft het enig betrouwbare oriëntatiepunt over: JHWH. Op hem mag je vertrouwen, hem mag je, tegen de verdrukking in blijven bezingen als degene die redt, of liever: bevrijdt. Want hier staat het werkwoord ‘bevrijden’, waarvan ook de naam van Jezus is afgeleid. ‘God is mijn bevrijder, hij is mijn kracht’, zegt de profeet. Zo kan hij op weg gaan, lichtvoetig als een hinde, naar een citaat uit Psalm 18: 34. Met andere woorden: hij gaat, ondanks de dreiging, niet bij de pakken neerzitten, maar blijft zich richten op de Ene, die bevrijdt, d.w.z. die kracht geeft en daardoor komt hij in beweging. Is dat niet precies wat de Poolse  broeders en zusters de laatste, pak weg, 50 jaar hebben ervaren?
 
Zo hebben zij ook, vanuit hun ervaring van bevrijding, naar de tekst uit de brief aan de Korinthiërs gekeken. Een overigens lastige tekst, die over de opstanding der doden lijkt te spreken èn over ons, levenden, die veranderd worden door de overwinning van Jezus op de dood. Een mysterieuze tekst, zegt Paulus, en hij vervolgt: wij zullen niet allemaal ontslapen, maar wel allemaal veranderd worden. Blijkbaar kan zich al een verandering voltrekken vóór de dood. Door ons op Jezus te richten en zijn weg na te volgen? Is dat het aandoen van onvergankelijkheid? Of was Jezus’ overwinning op de dood het eigenlijke mysterie?
 
Zou het alleen over de opwekking van de doden gaan, wat zou dat ons, levenden, dan helpen? Het gaat in ieder geval ook om de verandering in onszelf nu we nog leven en hoe wij vervolgens in dit leven verder mogen gaan. Mede daarom vind ik het jammer dat de vertalers iets van het mysterie hebben weggenomen door het woordje ‘lichaam’ aan de tekst toe te voegen. De doden zullen worden opgewekt, onvergankelijk. Meer staat er niet. Dit vergankelijke moet worden bekleed met onvergankelijkheid. Een zelfstandig naamwoord is gebruikt: onvergankelijkheid. Met evenveel recht zou je in plaats van het woordje ‘lichaam’ het woord ‘leven’ kunnen invoegen. Wanneer het vergankelijke en sterfelijke (leven) bekleed is met onvergankelijkheid en onsterfelijkheid, dan zullen de woorden uit Tenach  geschieden: Uit Jesaja (25:8): Verzwolgen is de dood tot overwinning
En uit Hosea ( 13: 14): dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel? Paulus zelf wijst ons vervolgens naar het leven als hij uitlegt: de angel van de dood is de zonde en de kracht van de zonde is de wet. Je kunt zo gevangen zitten in je eigen menselijke tekort, dat je niet meer echt leeft. Is dat niet doodzonde? Daaruit kun je bevrijd worden, door je tekort, eventueel met hulp van anderen,  onder ogen te zien, er los van te komen en je ogen te richten op die ene mens, die ons als bevrijder gegeven is: Jezus, Jehosjoea, God bevrijdt. Zo kun je ook weer voor anderen bevrijdend en helpend zijn. Dat is: fundamenteel veranderd worden, ook en juist al in dìt leven. Jezus, de gezalfde, is ons in zijn leven voorgegaan, wij mogen hem in het onze navolgen. Daarbij mogen we de vermaning van Paulus ter harte nemen: wees standvastig, onverzettelijk, altijd overvloedig in het werk van de Heer. Dan zijn je inspanningen, nl. voor het leven van je naaste, niet vergeefs. Ook dat kun je een overwinning noemen.
 
Winnen met gevouwen handen, ja, maar laten wij toch vooral bidden met geopende harten.
Wij kunnen immers alleen bidden om kracht, zodat wij mogen meewerken aan onze innerlijke heelheid en van daaruit aan heelheid van onze naasten en de eenheid in verscheidenheid en vrede in deze wereld. Daarom wil ik hier graag eindigen met een gebed dat rabbijn Harold Kushner opnam in zijn boekje “Als het kwaad goede mensen treft”:
We kunnen U niet domweg bidden, God,
om aan de oorlog een eind te maken;
want wij weten dat u de wereld zo gemaakt hebt
dat de mens zijn eigen weg naar de vrede moet vinden,
bij zichzelf en bij zijn naaste.
We kunnen U niet domweg bidden, God,
om een eind te maken aan de hongersnood;
want U hebt ons de middelen al gegeven
om de hele wereld van voedsel te voorzien,
als we er maar een wijs gebruik van maken.
We kunnen U niet domweg bidden, God,
om vooroordelen uit te roeien,
want u hebt ons al ogen gegeven
om in ieder mens het goede te zien,
als we er maar een juist gebruik van maken.
(…)
We kunnen U niet domweg bidden, God,
om een eind te maken aan ziekten,
want U hebt ons al een geweldig verstand gegeven
waarmee we geneesmiddelen en therapieën kunnen uitdenken,
als we er maar constructief gebruik van maken.
Daarom bidden we U in plaats daarvan, God,
om kracht, vastberadenheid en een sterke wil,
om te doen, in plaats van alleen maar te bidden,
om te worden, in plaats van uitsluitend te wensen.
Amen