Preek oudjaar 2011

Als U niet meegaat
Preek over  Exodus 33: 12 - 23
Paaskerk Baarn, 31 december 2011
Ds. C. Kruijswijk Jansen

 

Ze zaten tegenover elkaar in de trein, de een reed vooruit, de ander achteruit. Willem Wilmink schreef er een gedichtje over

 

Echtpaar in de Trein

….

De trein maakt zijn vertrouwd geluid,     

zij rijdt vóór-, ik achteruit.

We zien dezelfde dingen wel,

maar ik heel traag en zij heel snel.

Zij kijkt tegen de toekomst aan,

ik zie wat is voorbijgegaan.

Van nieuw begin naar nieuw begin

rijdt zij de wijde toekomst in

en ik rij het verleden uit.

En beiden aan dezelfde ruit.

                            (Willem Wilmink)

Zo verschillend is het, en zo samen, ze zien dezelfde dingen, maar zo anders. De een ziet wat voorbij gaat, de ander ziet de toekomst in.  Deze manier van op twee manier3en kijken is ook iets wat past bij een overdenking op Oudjaar.

“Ik zie wat is voorbijgegaan”.

Wat mij het meest trof in het afgelopen jaar is het onbeheersbare van de dingen. Een vloedgolf in Japan, wat verschrikkelijk, en de daaropvolgende nucleaire ramp. Hoeveel jaar zullen we daar nog onder gebukt gaan? Je weet het niet. En wat er rond de Middellandse Zee gebeurt. Begonnen in Tunesië spreidde het zich uit als een olievlek, een lente, naar Libië, Egypte, tot in Syrië toe. Waar leidt het toe, wie nemen de macht over? Of de deksel van de beerput van de Rooms Katholieke Kerk, die door de commissie Deetman is gelicht. Al die duizenden slachtoffers? En wat zal er nog loskomen als ook buiten de kerk de slachtoffers van seksueel misbruik uit de jaren vijftig en zestig zich melden? En onze onzekere economie. Nog nooit heb ik me zo onzeker gevoeld over wat komen gaat.

Onbeheersbaar, dat is het woord dat me bijblijft. Zal het ergens toe leiden? Zullen we het redden? Het oude Israël heeft er een verhaal, een uitdrukking voor. Over de adelaar die z’n jong leert vliegen. Hij stoot het over de rand van het nest, zodat het jong naar beneden fladdert, en leert vliegen. Maar als het niet lukt, duikt de grote adelaar eronder en vangt het jong op, brengt het terug naar het nest waar het spel van over de rand duwen opnieuw gebeurt. Net zolang tot het vliegen kan. Mozes gebruikt het beeld aan het eind van zijn leven als hij terugblikt op de gang vanuit de slavernij naar het beloofde land. En geeft er een duiding aan. Of het nu gaat om het manna, de kwakkels of het gouden kalf, allemaal uitingen van de angst dat je aan je lot wordt overgelaten, het zijn ook groeistuipen. Met vallen en opstaan zul je het leren om mens te zijn.

Je kunt je afvragen of je ooit het beloofde land zult bereiken, altijd ben je onderweg, maar je zult het leren. Huub Oosterhuis maakte een lied van de adelaar en vult het beeld nog verder aan, door de nadruyk te leggen op de eigen kracht waarmee je zult vliegen. Straks zullen we het zingen:

Die mij droeg

Die mij droeg op adelaarsvleugels,

die mij hebt geworpen in de ruimte

en als ik krijsend viel mij ondervangen

met uw wieken

en weer opgegooid

totdat ik vliegen kon op eigen kracht,

op eigen kracht.

                             (Huub Oosterhuis)

“Zij kijkt tegen de toekomst aan”.

Op eigen kracht: Hoe zal het gaan, zullen we het redden? Gaat God wel mee? Ook daar heeft het oude Israël een verhaal bij. Ik werd erop attent gemaakt door een vrouw die gaandeweg haar leven steeds meer het gevoel kreeg er alleen voor te staan. Haar raakten de woorden die Mozes sprak: “Als U niet met ons meegaat, hoe zouden wij dan verder kunnen? Wij kunnen niet zonder U”. Het gaf haar de rust en de ruimte om het vol te houden en voort te blijven gaan, met rust en ruimte nu!

Je ziet dat volk onderweg in de woestijn, moedeloos, steeds met de verkeerde beslissingen, de spanning bij de leider Mozes. Hoe zou ik verdergaan als U niet meegaat? Dan beroept Mozes zich op het kennen van zijn naam. U hebt mij uitgekozen! Letterlijk staat er: U hebt mij bij mijn naam geroepen, U kent mij! Mozes debatteert met God, het is een verhaal. In dat verhaal gaat God met Mozes mee. Natuurlijk ga Ik  met je mee, Ik laat je niet alleen. Maar wie bent U eigenlijk? Dan laat God zich zien. Dat wil zeggen, Hij gaat voorbij en in het voorbijgaan roept Hij zijn naam, JHWH, Ik ben die Ik ben. Ik ben altijd bij je, waar je ook gaat, ga maar, Ik ga met je mee. Maar God zien is er niet bij. Als God voorbijgaat, bergt Hij Mozes in de spleet van de rots en houdt zijn hand ervoor. Als Hij voorbij is ziet Mozes God van achteren.

Klaas Hendrikse haalt in het boek ‘Geloven in een god die niet bestaat’ deze passage aan. Hij vertaalt ‘van achteren’ met ‘achteraf’. Hendrikse ziet God ‘gebeuren’ tussen mensen, daar waar het goed is, is God. Als hij ’s avonds de dag overdenkt en zich afvraagt wanneer hij God gezien heeft, dan zit hij weer aan de keukentafel met iemand te praten die in de knoop zit. Al pratend komt er wat orde in dat mensenleven, weer een beetje zicht op de toekomst: dáár aan de keukentafel was God.

We gaan niet alleen, natuurlijk ga Ik mee. Je hoort het terug bij de profeet Jesaja: “Wees niet bang, ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij! Als je door het water gaat ddan ben ik bij je; ga je door rivieren, je wordt niet meegesleurd; of door het vuur, het zal je niet verschroeien, want ik, de HEER, ben je God. (Jesaja 43:1,2)

Ik ga met je mee. Dat zingen we straks aan het slot van deze dienst: Wat de toekomst brengen moge, mij geleidt des Heren hand.  Ik zal eerlijk zeggen dat ik het geen eenvoudig lied vind. Kun je zonder vragen naar het onbekende lopen? En als alles duister is, dan níet vragen ‘Waarom’? Dat je je hand in die van een ander legt en je met gesloten ogen naar het onbekende land laat leiden? Jacqueline van der Waals schreef het in 1920, een jaar voor ze stierf op 53-jarige leeftijd. Zo jong nog. Ze kreeg maagkanker. Een vrouw die zo sportief was, tennis, schaatsen, bergklimmen, wandelen. Zij had in haar jonge leven geworsteld met de verbinding van God met haar bestaan, de wil om zich over te geven in Zijn handen en de rust en de geborgenheid te vinden. Misschien is ze blind aan het einde van haar leven, en gaat met gesloten ogen naar het onbekende. Als ik dat besef word ik stil en krijgt het lied betekenis, dat het je lukt om in leven en sterven met God te leven!

Nog iemand gaf een impuls aan dit lied, de vrouw die als twintig jarige een vriend had gevonden. Ze zegde haar baan op in Groningen, liet haar woning achter, laadde alles in de auto en reed naar Baarn om te gaan samenwonen. Onderweg sloeg de schrik haar om het hart. Waar was ze aan begonnen? Zou ze het wel rooien? Toen kwam dat lied boven uit haar kinderjaren: Wat de toekomst brengen moge… Ze begon te zingen en al zingend kwam ze tot rust en reed ze met groeiend vertrouwen een nieuwe toekomst tegemoet. Nu is ze al een jaar of twintig getrouwd met haar vriend en heeft een paar mooie kinderen en kom ik haar tegen in een van de verzorgingshuizen in Baarn waar ze werkt.

Je gaat niet alleen. Dat mag je ook zeggen op de drempel van een nieuw jaar, dat doe je niet alleen. Wat de toekomst ook brengen moge, God gaat met je mee. Als een arend omringt Hij je en leert je vliegen op eigen kracht. Als een arend, zo leidt Hij ons. We gaan het nu zingen.


Amen.