Preek 20 november 20110

Leven, sterven en voortdurend afscheid nemen
Preek over: Thema Verzoening nav jaar thema Compassie 
Hoe zoeken en vinden wij vrede met elkaar, met God en onszelf in leven en sterven? 
Paaskerk Baarn, 20 november 2011 Gedachteniszondag 
Ds. M.M. Kool-Mout

‘De dood is als een spiegel,´zei iemand die zelf steeds dichter bij het einde van haar leven kwam.
Nu ik erin kijk, ontdek ik wie ik werkelijk ben. Eén voor één moet ik afscheid nemen van mijn vermogens, van alles wat ik heb opgebouwd en verzameld, van de dingen waaraan ik gehecht ben geraakt, ik moet afscheid nemen van mijn vertrouwde lichaam, van hoe ik er uit zie, van wat ik altijd heb gedaan. Wat blijft er van mij over?Wat overblijft, zo overpeinsden we wat, dat is misschien wel wat jou tot jou maakt, wat we onze ziel noemen? Wat dat precies is? Ik zou het niet kunnen zeggen.
Maar ik kan er wel een eens glimp van opvangen. Soms is het niet meer dan een oogopslag, een gebaar, dat niemand anders zo maakt zoals jij. Wie in de spiegel van de dood kijkt, ziet hoe hij werkelijk is. Zijn ziel komt tevoorschijn. Wat jou tot degene maakt die je bent,
en het meeste daarvan zien we in hoe je omgaat met mensen, hoe je je verbindt met God, met je naaste en jezelf. Wanneer een geliefd mens is gestorven en wij afscheid nemen, hier in de kerk, staan we juist daar bij stil: hoe wij als mensen met elkaar omgaan, hoe wij leven voor het aangezicht van de Eeuwige. Hoe dat is gegaan, met die ene die er nu niet meer is. Want, zo brengen we ons dan in herinnering, zo vaak leven we gedachteloos. We voelen ons wel dankbaar, als iemand ons helpt of naar ons luistert, maar vergeten dat zo vaak aan de ander te laten merken. Of we blijven haken bij een woord dat ons heeft gekwetst, en nemen niet de moeite om de ander daarin te kennen,
en denken er niet aan, dat het morgen te laat kan zijn om hem dat te vergeven.
Soms kwetsen we een ander en zeggen naderhand niet: het spijt me, dat ik jou pijn gedaan heb.
We houden van een mens en waarderen hem maar hoe vaak zeggen we dat: ik heb jou lief, ik ben blij dat jij er bent in mijn leven.
In een afscheidsdienst doen we dat, heel bewust samen. Wetend dat ieder op een eigen unieke wijze verbonden is (geweest) met een ander. In gedachten, danken we onze dierbare dode, voor zijn of haar liefde, proberen we ons te verzoenen met wat in ons leven met die ander, anders had gekund, wat we zelf liever anders hadden gedaan. En altijd wanneer we hierbij stil staan, zo voordat we onze voorbeden bidden wordt voelbaar, hoe wezenlijk het is, dat we dat zo doen.
Hoe helend, om al die gedachten en gevoelens een plaats te kunnen geven.
Want wanneer een dierbare sterft, dan blijf je achter met wat voorbij is. Onomkeerbaar.
Dan, zo ervaren veel mensen dat, dan sterft er ook iets van jezelf.
Je raakt ontwricht, verward, alles wat zo vanzelfsprekend leek, komt op losse schroeven te staan.
Voor de een komt het onverwacht, de ander kan er meer naar toeleven, maar hoe dan ook, blijf je achter met wat geweest is. En daar moet je je op een of andere wijze vrede mee vinden.
Wanneer het meeste goed is geweest, dan gaat dat misschien min of meer vanzelf. En mensen putten dan ook juist daar kracht uit, dat er niets is blijven liggen. Maar wanneer je terugkijkend veel losse eindjes, overhoudt, dan is dat veel moeilijker.
Door er bij stil te staan, het een plaats te geven, voor het aangezicht van God, hier samen, doorvoelen we het, komen we het onder ogen, dat breekbare, broze, leven van ons, samen met die ander.
En dat, zo ervaren we, helpt om verder te gaan. Om met vallen en opstaan,
verder te leven met wie je verloren hebt.
En dit is natuurlijk veel vaker aan de gang. Dit proces van afscheid nemen, speelt natuurlijk eigenlijk ons hele leven. We nemen niet alleen afscheid van mensen door de dood, maar ook in ons leven; we hebben vriendschappen die het niet houden, relaties die worden verbroken, mensen die gescheiden verder moeten. We nemen voortdurend afscheid van aspecten van onszelf. Van plannen en idealen. Van fasen, perioden in onze levens, van onze schooltijd, of van je werkzame leven.
Er is een tijd om te baren, een tijd om te sterven, een tijd af te breken en op te bouwen, om te omhelzen en een tijd om los te laten. Voor alles is er een tijd. zegt Prediker dan.
Alles heeft een begin en een einde. Dat is een gegeven, van ons leven.
En juist dat gegeven, maakt, dat de tijd daartussen betekenisvol kan worden voor ons. Dat we daardoor beseffen dat het er toe doet hoe we omgaan met de ons gegeven tijd. Dat die kostbaar is. En erom vraagt dat we er zorgvuldig mee omgaan. Dat we niet zomaar wat mis ging laten liggen...dat we proberen verzoening teweeg te brengen waar de vrede verstoord is...
Wij hebben helaas niet zoals de joden, daar een speciale dag, voor Yom Kippoer, Grote verzoendag, waar alle niet nagekomen beloften, alles wat mis ging tussen jou en een ander, kan worden bijgelegd.
Dit moet, zo zeggen de rabbijnen, want het is niet goed voor een mens, als relaties verstoord zijn, dat is niet alleen ongezond voor jezelf maar voor het hele verband waarin je leeft. En het belemmert je zicht op God.
Wij moeten zonder zo’n speciale dag zoeken naar wat in ons bereik ligt om de vrede te herstellen daar waar hij verstoort is geraakt.
En denkend daarover had ik deze dagen steeds de woorden van een lied van Oosterhuis in gedachten:
Wat ik gewild heb, wat ik gedaan heb,
Wat mij gedaan werd, wat ik misdaan heb
Wat ongezegd bleef, wat onverzoend bleef,
Al het beschamende, neem het van mij,
En dat ik dit was en geen ander
Hier ben ik,…
Het is eigenlijk een gebed, waarin je je in al je kwetsbaarheid, zonder versiering, jezelf laat zien... Verzoening vraagt berouw. Je moet uitspreken dat je het graag goed wilt maken. Maar niet altijd kan dat. De ander is er niet meer. Of de ander wil het niet. Of je kunt het zelf (nog) niet, je bent er nog niet aan toe...Wat is het dan goed, dat je deze woorden bidden kunt. Dat je ze kunt uitspreken, je berouw, je verlangen om tot verzoening te komen, met een ander, met je zelf, met God, in de lichtkring van God te kunnen delen.

Van de week liet ik hier in het Brandpunt een afbeelding zien van Rembrand, van de terugkeer van de verloren zoon. En het gaat me nu niet om de details van dit verhaal maar om wat het beeld uitdrukt.
Het beeld van een mens, geknield, z´n gezicht verborgen in de schoot van zijn vader. Beschaamd en berooid komt hij thuis.
We weten niet precies wat er in de een en wat er in de ander omgaat,
we kunnen nooit helemaal achterhalen wat ongezegd bleef, wat verborgen is gebleven, onverzoend bleef.
Zoals we dat ook nooit helemaal weten in ons leven met anderen.
Maar wat we zien is hoe de jongen,
met zijn hele hebben en houden,
met zijn losse eindjes,
liefdevol wordt omarmt.
En ik geloof dat daarin troost schuilt, dat we daarin ruimte kunnen vinden, om te leven.
Want Jezus vertelt dit verhaal als beeld van God. Dat God er zo is:
als een liefhebbende vader, die zijn armen om je heen slaat, en zegt jij bent en blijft mijn geliefde.
In die omarming is ruimte voor wat goed is, voor wat anders had gekund.
In die omarming mogen wij vrede zoeken met het onomkeerbare.
Ons verzoenen met elkaar. Met onszelf . Met God. Die God trouw houdt, niet los laat wat zijn hand begonnen is. En er zijn twee plaatsen, twee momenten waar dat voor mij het meest voelbaar is, die aanwezigheid van God in je leven. Dat is daar waar een kind geboren wordt, en daar waar een mens aan het sterven is. Die goddelijke nabijheid. Daar waar eerbied is voor het kwetsbare, het weerloze van wat ieder mens tot mens maakt. Twee momenten in ieders leven, waarop je niet jezelf kunt verplaatsen, maar gedragen moet worden. Omarmd. Als je geboren wordt, ben je daarmee verzoend, geef je je er als vanzelf aan over…dat we gaandeweg ons leven, ondanks alle verliezen, daar, van die overgave toch iets van mogen bewaren. Want in die omarming mogen en kunnen wij leven.
Dat het zo mag zijn.