Preek 6 februari 2011

Je bent zout van de aarde
Preek over Mattheus 5:13-16
Paaskerk Baarn, 6-02-2011 
Ds. M.M. Kool-Mout

U kent vast het verhaal van de vrouw van Lot. Deze familie keert zich af van Sodom.

Zij keren de stad waar alle liefde en eerbied voor elkaars leven zoek is, de stad van ongastvrijheid, de rug toe. God zegt: Kijk niet achterom, ga op weg.

Maar Lot’s vrouw ziet wel om,  en wordt een zoutpilaar. Iedere gids die zijn toeristen rondleidt door het kale onherbergzame landschap van het Zoutgebergte, zo heb ik me laten vertellen, wijst er zijn eigen vrouw van Lot aan. Maar waar het om gaat is duidelijk:

je moet je roeping weten. Je afkeren van onrecht en vernedering,

keer je om, ga richting een goed land, waar leven mogelijk is, waar jij en je naasten tot recht komen. De vrouw van Lot ging met de rug naar haar roeping staan.

En strandde … zij werd haar eigen monument. Je moet geen zoutpilaar zijn,

nee, je bent zout der aarde, zegt Jezus. Je moet geen monument worden. Geen verstarde vesting. Jij en het geloof wat je draagt, moet niet één brok, geen gestolde waarheid worden, je geloof mag zich vermengen, zoals zout zich vermengt in voedsel en het smaak, pit geeft.

Maar, wat betekent het eigenlijk om te geloven, om kerk te zijn in onze tijd, in deze wereld?

Dat is een vraag die niet alleen van vandaag de dag opkomt...en niet zo eenvoudig te beantwoorden is....Een halve eeuw na Jezus optreden vroeg Mattheus zich dat ook al af. Waar gaat het eigenlijk om in een geloofsgemeenschap? Wat voor soort gemeente had Jezus eigenlijk voor ogen? Hoe zag zijn kerk, als hij die überhaupt al voor ogen had...eruit? Mattheus zoekt uit de woorden en verhalen die hem van Jezus zijn overgeleverd, naar bouwstenen om deze vraag te beantwoorden. Het woord kerk zal hij niet hebben gebruikt...misschien dacht hij meer in termen van een netwerk...een gemeenschap, een beweging. Bekend is natuurlijk het beeld van de brede en de smalle weg. Ik heb daar nooit zoveel mee gehad. Met die splitsing, die tweedeling van de wereldse en de gelovige weg.

Hier de kerk, daar de wereld. Hier gelovigen, daar ongelovigen. De brede weg, daar zie ik eigenlijk meer in, met allemaal zijwegen en een mooi plein waar alles samenkomt. De brede weg, is daar waar de mensen zijn, de kerk, de Speeldoos, het theater, de bioscoop, de eetkamer...ze komen allemaal uit op dat plein. Je bent, ook als je naar de kerk gaat, wereldburger, je staat midden in het leven. Je bent onderdeel van een groter geheel, en als zout ga je daar in op. Je mengt je in wat er in de wereld aan de hand is. Dat is ons leven. Maar ... je moet er ook weer niet zo in op gaan dat het zout zijn kracht verliest. Dat kan ook gebeuren. Dat je het eigene helemaal opgeeft...Dat is zonde...dan verliest het zout zijn smaak en dient het nergens meer voor...Zout, zo weten we van vroeger, conserveert, bewaart, zorgt dat wat goed moet blijven, ook goed blijft...en bewaard. Die kracht heb je dus in je, om te bewaren wat goed is.  Veel mensen en misschien herkent u dat wel, weten zich er soms geen raad meer mee.

Hoe vertel je nu wat het voor je betekent dat je bij een geloofsgemeenschap hoort?

Wat is eigenlijk de essentie daarvan? Waar sta je voor? Wie ben je als gelovige, als christen?

Het maakt je soms verlegen. Wat betekent het nu eigenlijk om lid van een kerk te zijn? Hebben wij daar woorden voor? Hoe vertel je anderen dat het je raken kan, zo’n ogenschijnlijk klein gebaar, wanneer een kind de kaarsen aansteekt,

we stil worden, bidden, zingen om ontferming, wanneer we ons leven leggen naast die oeroude verhalen uit de Schrift? Dat er soms een woord klinkt als was het voor jou bestemd.

terwijl we allemaal zo anders zijn.

Hoe deel je het, dat het je wat doet, dat je in je ziel, je binnenste geraakt wordt

als je naar huis gaat, met de zegen van God.

Hoe deel je die ervaringen van  troost, van hoop, van genade, dat je iets van God merkt in je leven? Misschien helpt het elkaar wat vaker die vraag zouden stellen. Onze ervaringen wat meer zouden delen.

 

Er is zoveel weg gevallen de laatste jaren, zei iemand van de week. Ik geloof niet meer wat ik vroeger geloofde. Ik weet niet wat ik zeggen moet als mensen me vragen waarom ik eigenlijk naar de kerk ga. Als ze zeggen, wat heb jij nou wat ik niet heb?

Vragend, zoekend, zochten we naar woorden, naar beelden wat er voor dat geloof van vroeger in de plaats was gekomen, en ontdekten we hoe in dat vragend zoekende geloof,

hoe veel echtheid daarin zit. het zijn misschien geen grote woorden meer die we gebruiken, maar gewoon in onze eigen, kleine taal...spraken we over een bron, dat je een plaats zoekt waar je gevoed wordt, Een huis waar je geborgenheid ervaart.  Mensen zoeken een woning en willen geborgen zijn. zo zullen we straks met woorden van Huub Oosterhuis zingen.

Dat is een lied dat gaat over ons. Zo’n huis, zo geloof ik, is de kerk voor veel mensen.

Waar leven gedeeld wordt, vreugde en verdriet. Een huis waar je wordt herkend.

Waar je onvoorwaardelijk welkom bent. Met je hele hebben en houden.  Een huis voor de ziel. En dat huis kan zomaar ontstaan, ook in een ontmoeting op straat...zo’n huis is daar waar mensen bewogen raken, de een zich over de ander ontfermt.

Ik moet denken aan een jonge man die lange tijd op straat leefde. Laten we hem Bart noemen, hij is 20 jaar. Erg onrustig. Een echte Adhd’er noemen ze hem. Van blowen wordt hij rustig.

Hij komt op gesprek bij een straatpastor. Hij kijkt haar aan, en zegt: ik ben zo bang dat mijn ziel dood is... En dat vind ik heel erg. Zij, de straatpastor begint hem te vertellen

over dat wonderlijke plantje, de roos van Jericho, dat als een dor bolletje door de woestijn rolt. De wind speelt er mee...het bolletje lijkt zo dood als een pier...Maar als het op een plekje komt, waar het water vindt, dan komt het tot rust. Neemt het water in zich op en begint voorzichtig te wortelen. En heel langzaam....ontrolt het zich dan...dan zie je ineens kleine groene blaadjes groeien...net een varentje...Dat plantje kan jaren zonder water,het beschermt zichzelf door zich op te rollen. Maar als het water vindt...dan gebeurt er wat. Misschien is het met je ziel ook wel zoiets zegt de straat pastor voorzichtig...Misschien wel zegt Bert...

Juist wie weten wat het is om kwetsbaar te zijn. Wie weten hoe dat is, als je op jezelf wordt teruggeworpen, weten, dat het ergste wat je kan overkomen, dit is, als je ziel droog komt te staat, als het van binnen dor, leeg voelt, als je geen verbinding meer hebt met jezelf, met wie om je heen zijn, met God. dan is het alsof je niet meer leeft. Juist deze mensen merken dat zij in Jezus nabijheid geborgen zijn, omdat hij hen ziet staan. Die man uit Nazareth laat zien, dat elk mens een kostbaar geschenk is in de ogen van God. En dat blijf je, wat er ook gebeurt. Je bent het zout der aarde, licht van de wereld zegt Jezus. Dat is wat heelt, wat troost, dat je beseft dat jouw leven gewild is. van te voren, is er al waarde en waardigheid meegeven. Ja gezegd tegen je bestaan. God zelf draagt zorg voor ieders leven. Met dat beeld wagen wij het. Kunnen wij het wagen omdat we er in ons leven, soms even iets van mogen ervaren. God die zorg draagt, zoals een goede vader en moeder zorg dragen, voor het leven van hun kind. Niet dat die zorg hen behoeden kan voor ziekte of voor pijn. Niemand zal zonder butsen groot worden. Niemand zal er aan ontkomen dat je krachten, je mogelijkheden afnemen,  maar zo’n nabijheid, het besef dat er iemand is die zorg draagt voor jou,  maakt wel dat je niet jezelf hoeft te verliezen in angst wanneer onheil je treft. Zo geloven, dat geeft vertrouwen in het leven hoe het dan ook maar gaat. Het treffendst is dat Jezus deze tekst over het zout der aarde uitspreekt net nadat hij de zaligsprekingen heeft uitgesproken. Net nog heeft hij de mens in het licht gezet die arm van geest is, zich leeg voelt, niet alles meer weet. Maar je bent het gewoon. Jezus spreekt mensen toe die net de zaligsprekingen hebben gehoord, en richt zich dan tot de luisteraars met ‘jullie’.‘Jullie zijn het! Je hebt die smaak meegekregen. Je bent een mens met pit. Ga, je hebt kracht in je’! Volgeling van Christus, de gemeente zal zich dus moeten mengen in de wereld, erin opgaan. Niet achteromkijkend, maar vooruit, niet op zichzelf blijvend. Maar open naar buiten gastvrij, een huis voor ieders ziel.    Zout: smaakmaker zijn. Het leven pittiger maken. Door barmhartig te zijn, zachtmoedig, verlangend naar gerechtigheid.Licht, want: We zijn bestemd om te stralen zoals kinderen dat doen. We zijn geboren om de glorie Gods die in ons is, te openbaren. En als we ons licht laten schijnen, schept dat voor de ander de mogelijkheid hetzelfde te doen, tot eer van God,

Amen.